Kunstenaarskolonies en sterke vrouwen

In de entree van het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg lopen we onder glas-in-loodportretten door van kunstenaars Jan Toorop, Piet Mondriaan, Mies Elout, Jan Heyse, Ferdinand Hart Nibbrig en Jacoba van Heemskerck. Zij vormden het Regelingscomité voor de Domburgsche Tentoonstellingen (1911-1921) die Domburg naam en faam bezorgden als kunstenaarskolonie. Op zoek naar vergeten kunstenaressen – in Zeeland de Domburgse Dames en Veerse Joffers – ontdekken we veel meer.

Jan Toorop, zelfportret met Mies Drabbe, 1898. Beeld: jantoorop.eu

Domburg
De drijvende kracht achter de kunstenaarskolonie in Domburg was Jan Toorop die er van 1903 tot 1922 zijn zomers doorbracht. Samen met zijn leerling Mies Elout-Drabbe bracht hij talloze schilders, beeldhouwers, schrijvers, dichters en componisten bij elkaar. Het heldere licht, de glinsterende zee, het grillige duinlandschap, de oude bossen van de Manteling en pittoreske plaatsen als Veere en Zoutelande waren een rijke bron van inspiratie.

Het museum in Domburg is vernoemd naar een andere hoofdrolspeler: Marie Tak van Poortvliet, kunstenares, antroposofe en pionier van de biologische landbouw in Nederland. De vermogende bewoonster van Villa Loverendale aan de rand van Domburg huisvestte haar vriendin Jacoba van Heemskerck in een atelier in de villa. Voor haar en voor andere Domburgse kunstenaars was Marie Tak van Poortvliet een belangrijke mecenas. Rond 1920 had ze zo’n 120 werken verzameld.

Kunstenaarskolonies
In de de loop van de negentiende eeuw trokken kunstenaars, vooral schilders, naar buiten. Het landschap was niet langer achtergrond, maar werd onderwerp. Ook zochten veel kunstenaars een eenvoudiger, natuurlijker bestaan en wilden ze zich losmaken van het academisme in de kunst. In heel Europa ontstonden schildersdorpen, in navolging van de eerste kunstenaarskolonie in het Franse Barbizon (1830). Bekende Nederlandse voorbeelden zijn Oosterbeek, Laren, Katwijk, Bergen, Plasmolen en Domburg.

Stug en stoer
Laat het museum nu net als we in Domburg zijn de expositie ‘Stug en Stoer – de weg van de Jo Koster van Hattem en Dora Koch-Stetter’ houden. De Nederlandse en de Duitse kunstenares waren aan verschillende Europese kunstenaarskolonies verbonden. De expositie belicht verschillen en overeenkomsten in een overzicht van schilderijen en grafieken die onder meer in Domburg, Staphorst, Heeze, Knokke en Ahrenshoop zijn ontstaan.

Jo Koster (1868-1944), zelfportret. Ze ontwikkelde zich in het Franse neo-impressionisme.
Dora Stetter (1881-1946), zelfportret. Ze vond inspiratie in het Duitse expressionisme.

Het eerste dat je tegenkomt in de expositie zijn twee naakten. Het zouden zusjes kunnen zijn, maar het zijn toch heel verschillende werken. De doeken zijn samengebracht om de verwantschap tussen de kunstenaressen te illustreren.

Vakvrouwen
Wat Jo Koster en Dora Stetter ook deelden: terwijl ze teken- en schilderlessen gaven om in hun levensonderhoud te voorzien, verkenden ze het pad van de ‘vrije’ schilderkunst. Dat was rond de eeuwwisseling bepaald niet vanzelfsprekend voor vrouwen. Nog minder vanzelfsprekend was dat ze technisch zeer veelzijdig waren, van figuratieve naar abstracte kunst bewogen, en naakten schilderden – tot dan toe voorbehouden aan mannen.

Dora Stetter, Brandenburg
Jo Koster, Toscane

In deze ontwikkeling stonden ze niet alleen. Rond de vorige eeuwwisseling eisten vrouwen steeds krachtiger hun plaats op in de beeldende kunst. Ze hielden zich niet langer aan de norm dat nette vrouwen niet werkten en tekenen en schilderen hooguit als beschaafde hobby hadden.

Jo Koster
Dora Stetter

Steeds meer kunstenaressen zochten, na studies aan gerenommeerde academies en bij geziene kunstenaars, hun eigen professionele weg. Die weg was stug, maar de vrouwen waren stoer.


Marie Tak van Poortvliet Museum
de expositie Stug en Stoer loopt tot en met 12 februari 2023
Ooststraat 10a, Domburg
www.marietakmuseum.nl

Kotje van Toorop
Een deel van het museum is een replica van het ‘kotje van Toorop’, een houten paviljoen dat Jan Toorop in 2012 liet optrekken in de duinen tegenover het Badhotel. Slim, want daar kuurde de Europese ‘fine fleur’ die wat te besteden had: adel, rijke industriëlen en geziene intellectuelen. Domburg gold in die tijd als zeer mondaine badplaats.

Er werden jaarlijks zomertentoonstellingen gehouden. Aanvankelijk met werk van de kunstenaars op Walcheren, onder wie ook Lucie van Dam van Isselt, Jans dochter Charley Toorop, Móric Góth en zijn dochter Sárika Goth; en later ook kunstenaars van verder weg, bijvoorbeeld Theo van Doesburg, Peter Alma, Jan Sluijters en Vilmos Huszár.

Helaas was het paviljoen niet stormbestendig en toen het in 1921 voor de derde keer kapot was gewaaid, werd het niet meer herbouwd. Pas in 1994 kwam het terug, nu in het centrum van Domburg. Het is een replica die architect Cees Stam maakte en met een modern deel in glas en staal uitbreidde tot het huidige museum.

Berichten gemaakt 5

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde berichten

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven